Actualiteiten omgevingsrecht – week 16

 

Bescherming tegen geluidsoverlast van bedrijfswoningen op een industrieterrein (ECLI:NL:RVS:2019:1220)

Bewoners van bedrijfswoningen op een gezoneerd bedrijventerrein verzoeken bij de gemeente om handhaving wegens overlast van onder andere geluid. De gemeente Schiedam wijst het verzoek af en de rechtbank bevestigt dit in beroep. De ABRS oordeelt anders in hoger beroep. Artikel 53 van de Wet geluidhinder stelt dat gemeente bij vergunningverlening 50 dB(A) in acht moet nemen. Zoals de ABRS eerder heeft overwogen geldt dit niet voor inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein. De ABRS volgt de gemeente en rechtbank in het oordeel dat dit geen basis vormt voort een verzoek tot handhaving. Maar voor zover het verzoek van appellanten zich richt op naleving van aan de omgevingsvergunning verbonden geluidsvoorschriften oordeelt de ABRS anders. Bij vergunningverlening hoeft aan deze woningen niet dezelfde mate van bescherming te worden geboden als aan woningen buiten het industrieterrein. Dit betekent echter niet dat bewoners op een gezoneerd industrieterrein niet kunnen vragen om handhaving van aan een omgevingsvergunning verbonden geluidsvoorschriften.

De ABRS oordeelt verder dat het relativiteitsvereiste hier een verzoek om handhaving niet in de weg staat. Met de grenswaarden in de omgevingsvergunning wordt onder meer beoogd om omwonenden bescherming te bieden tegen geluidhinder. De omwonenden komen in deze procedure dan ook op voor hun belang als omwonenden bij bescherming tegen geluidhinder.

Arbeidsmigranten op een bedrijventerrein (ECLI:NL:RVS:2019:1253)

Het college van de gemeente Hollands Kroon verleent een omgevingsvergunning voor gebruik van een voormalige bedrijfswoning in Wieringerwerf voor tijdelijke huisvesting (logies) van 40 arbeidsmigranten. Het betreft hier een zogenaamd ‘kruimelgeval’ ex. artikel 2.12, lid 1 aanhef en onderdeel a, onder 2 Wabo jo. artikel 4 lid 9 bijlage II Bor. Er wordt bezwaar en beroep ingesteld door twee eigenaren van nabijgelegen percelen op het bedrijventerrein vanwege te verwachten overlast, aantasting privacy en belemmering van bedrijfsvoering. Zowel het bezwaar als beroep wordt ongegrond verklaard. Er wordt hoger beroep ingesteld bij de ABRS.

Appelanten voeren aan dat er sprake is van (wijziging van) een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ als bedoeld in cat. D11.2, kolom 1, bijlage Besluit m.e.r. In gevolge artikel 5 lid 6 bijlage II Bor staat dit gebruikmaking van de bovengenoemde ‘kruimelgevallenregeling’ in de weg. De ABRS overweegt onder verwijzing naar eerdere uitspraken dat of er sprake is van (wijziging van) ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ in de zin van Besluit m.e.r. afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij de aard en de omvang van een ontwikkeling een rol spelen. De ABRS oordeelt dat de er in dit geval geen sprake is van een bovengenoemd ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ omdat het ruimtebeslag van de bestaande bebouwing beperkt is en de functiewijziging niet gepaard gaat met een uitbreiding van de bebouwing op het perceel. Daarnaast wordt er slechts voorzien in een beperkt aantal parkeerplaatsen. Dit leidt volgens de ABRS niet tot een dusdanige verkeersaantrekkende werking dat daarmee gepaarde milieugevolgen zullen leiden dat de ontwikkeling moet worden aangemerkt als een bovengenoemd ‘stedelijk ontwikkelingsproject’. Er is geen sprake van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ en dus is de juiste procedure gevolgd.

Daarnaast voeren appelanten aan dat het college de bij het besluit betrokken belangen niet op een zorgvuldige wijze heeft afgewogen; er is o.a. onvoldoende aandacht besteed aan richtafstanden milieu (beperking bedrijfsvoering en woon- en leefklimaat arbeidsmigranten) en parkeren. De ABRS stelt dat het bestemmingsplan bedrijven mogelijk maakt in milieucategorie 4.1 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten en dat voor dergelijke bedrijven in beginsel een afstand van 200 meter wordt aanbevolen ten opzichte van woonbebouwing. Het college had dit bij de besluitvorming moeten betrekken bij beantwoording van de vraag of de huisvesting van arbeidsmigranten mogelijk een belemmering kan opleveren voor omliggende bedrijven en eveneens bij de beoordeling van het woon- en verblijfsklimaat voor de arbeidsmigranten. Hiermee gaat de ABRS niet specifiek in op de stelling dat tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten een lager beschermingsniveau behoeft dan wonen, zoals de gemeente stelt. Ook de afwijking van het college op de gehanteerde parkeernorm is onduidelijk volgens de ABRS. De ABRS oordeelt dat het college opnieuw een besluit moet nemen op de bezwaarschiften.

Dienstenrichtlijn en beperking van horecamogelijkheden (ECLI:NL:RVS:2019:1262)

De gemeente Arnhem stelt een bestemmingsplan vast. Hierbij is er gekozen voor het uitfaseren van de avond- en nachthoreca aan de Varkensstraat (een uitsterfconstructie). Voor leegstaande panden wordt niet langer in avond- en nachthoreca voorzien en voor panden met bestaande avond- en nachthoreca is in een uitsterfregeling voorzien. In beroep wordt door appellant betoogd dat een dergelijke constructie in strijd zou zijn met de Dienstenrichtlijn.

De ABRS oordeelt dat de activiteit “horeca” een vorm is van “detailhandel in goederen” en het “bieden van amusement”. Daarmee is de activiteit “horeca” naar het oordeel van de ABRS aan te merken als een dienst in de zin van de Dienstenrichtlijn. De ABRS is daarnaast van oordeel dat het opnemen van een uitsterfregeling voor avond- en nachthoreca zoals neergelegd in het plan moet worden aangemerkt als een territoriale beperking in de zin van de Dienstenrichtlijn (art. 15 lid 2, onder a Dienstenrichtlijn) die is gericht tot dienstverrichters.

Waar het nu om gaat is of bij het stellen van het gebruikswijzigingsverbod is voldaan aan de voorwaarden met betrekking tot de noodzakelijkheid en evenredigheid (art. 15 lid 3 Dienstenrichtlijn). Hiervan kan sprake kan zijn als een eis wordt gesteld met het oog op onder meer de verbetering van de openbare orde en de veiligheid en de bescherming van het stedelijk milieu (art. artikel 4, aanhef en onder 8 Dienstenrichtlijn). De ABRS is van oordeel dat de gemeente zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de uitsterfconstructie gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang en er sprake is van een evenredige beperking van het vrij verrichten van diensten.


Wilt u op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen en actualiteiten in het omgevingsrecht? Ruimtemeesters houdt wekelijks de laatste jurisprudentie bij. Volg onze LinkedIn bedrijfspagina of het nieuws op onze website.


share



uw reactie

Koen van Polanen


connect