Actualiteiten omgevingsrecht – week 45

 

Sluiting van een woning in strijd met EVRM? (ECLI:NL:RVS:2019:3762)

De gemeente Den Haag sluit een woning na het aantreffen van onder andere henneptoppen (22,5 gr.), vermoedelijk MDMA (20,6 gr.) en een boksbeugel. Het aangetroffene lag in het zicht in de kamer van de zoon des huizes. Op grond van artikel 13b Opiumwet besluit de burgemeester de woning te sluiten voor de duur van zes maanden. Na de sluiting is appellante (moeder) niet meer teruggekeerd in woning omdat de woningcorporatie de huurovereenkomst ontbond. Appellante stelt dat sluiting van de woning een onmenselijke of vernederende behandeling is als bedoeld in artikel 3 EVRM. Zij beroept zich voorts op artikel 6 EVRM (criminal charge). Daarnaast is sluiting in strijd met artikel 8 EVRM omdat deze geleid heeft tot beëindiging van de huurovereenkomst. Zij stelt dat zij in haar goede naam en eer is geschonden omdat de burgemeester ook met posters bekend heeft gemaakt dat de woning is gesloten. Als laatste stelt zij dat haar niets te verwijten valt ten aanzien van de aanwezigheid van drugs in haar woning.

De ABRS oordeelt als volgt.

Artikel 3 EVRM

De sluiting van de woning is niet in strijd met artikel 3 EVRM omdat er sprake is van een tijdelijke sluiting. Dat de verhuurder overgegaan is tot ontbinding van de huurovereenkomst doet hieraan niet af. Voor de ontbinding van de huurovereenkomst kan zij zich wenden tot de civiele rechter. De bestuursrechter moet echter wel de afweging maken omtrent de evenredigheid van de sluiting van de woning. Daarbij betrekt de bestuursrechter dat de gevolgen van de woningsluiting zwaar zijn als als gevolg daarvan het huurcontract wordt ontbonden. Burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante zich, als zij geen tijdelijke woonruimte kan vinden, kan wenden tot het Centraal Coördinatiepunt van de GGD. Daarnaast zijn er door appellante geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat zij zich niet kan wenden tot de vrije sector voor het huren van een woning. Sluiting van de woning is dan ook niet in strijd met de artikelen 3 en 8 van het EVRM (en artikel 7 en 17 IVBPR). Dat de sluiting van de woning via posters bekend is gemaakt is evenmin een schending van artikel 3 EVRM (of 7 IVBPR) omdat dit de bedoeling heeft om de oorspronkelijke situatie in en om de woning te herstellen en om kenbaar te maken dat de burgemeester optreedt tegen drugshandel. De burgemeester beoogt dus geen leed toe te voegen.

 Criminal Charge

In de uitspraak van 4 april 2018 heeft de Afdeling overwogen dat het EHRM in het arrest Engel en anderen tegen Nederland van 8 juni 1976 (ECLI:NL:XX:1976:AC0386,§82) drie criteria heeft geformuleerd voor de bepaling of sprake is van een criminal charge. Ten eerste is van belang de classificatie van de sanctie naar nationaal recht, ten tweede de aard van de overtreding – mede bezien in relatie tot het doel van de sanctie – en ten derde de zwaarte van de maatregel. De laatste twee criteria zijn niet cumulatief: het voldoen aan één van deze criteria kan in bepaalde gevallen reeds leiden tot de conclusie dat van een criminal charge sprake is. Daarnaast is mogelijk dat het tweede en derde criterium in samenhang bezien een dergelijke conclusie kunnen rechtvaardigen.

De afdeling overweegt dat de uitoefening van bestuursdwang naar nationaal recht gekwalificeerd wordt als een bestuurlijke maatregel en niet als punitieve sanctie. Dat de Opiumwet vooral met het strafrecht wordt geassocieerd maakt niet dat de sluiting van de woning om die reden punitief is. De Opiumwet is primair gericht op preventie en beheersing van de uit het drugsgebruik voortvloeiende risico’s. Sluiting van een woning heeft als doel de overtreding (handel in drugs) te beëindigen en te voorkomen. Er is dus sprake van een bestuurlijke maatregel.
Dan blijft de zwaarte van de maatregel over. De zwaarte van de maatregel wordt beoordeeld aan de hand van objectieve maatstaven. De burgemeester heeft de last tot sluiting conform beleid voor de duur van zes maanden noodzakelijk geacht. De burgemeester heeft, zoals eerder opgemerkt, bij de sluiting de gevolgen van de opgelegde maatregel voor appellante betrokken. Dat de sluiting van de woning publiekelijk bekend is gemaakt, is onvoldoende voor het oordeel dat de opgelegde maatregel alleen op basis van de zwaarte als een criminal charge is aan te merken. Dat geldt ook voor het feit dat appellante na de sluiting niet meer terug kan keren naar haar woning.

Gelet op het vorenstaande moet geconcludeerd worden dat toetsing aan het eerste en tweede criterium niet in de richting van een criminal charge wijst. Ook als het tweede en derde criterium in samenhang worden bezien, bestaat onvoldoende aanleiding voor de conclusie dat er sprake is van een criminal charge.

Verwijtbaarheid

De Afdeling heeft eerder overwogen (ECLI:NL:RVS:2018:851) dat voor toepassing van artikel 13b, eerste lid, Opiumwet persoonlijke verwijtbaarheid niet vereist is. Belangrijk is of betrokkene niet op de hoogte was en evenmin redelijkerwijs op de hoogte kon zijn. (zie ook ECLI:NL:RVS:2018:2116) Niet is vast komen staan dat appellante niet op de hoogte was dan wel kon zijn. Sterker nog de drugs werd in het zicht gevonden. Dat appellante persoonlijk niet bij de handel betrokken was en haar zoon vertrouwde, doet dus niets af aan haar verwijtbaarheid.

De Afdeling oordeelt dan ook dat de burgemeester terecht tot tijdelijke sluiting van de woning heeft mogen overgaan.


Wilt u op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen en actualiteiten in het omgevingsrecht? Ruimtemeesters houdt wekelijks de laatste jurisprudentie bij. Volg onze LinkedIn bedrijfspagina of het nieuws op onze website.

 


share



uw reactie

Koen van Polanen


connect