Wanneer is sprake van (permanente) bewoning van een recreatiewoning?

 

Soms is het lastig om vast te stellen of iemand veel in zijn/haar recreatiewoning verblijft of dat iemand er daadwerkelijk woont. Welke aspecten zijn van belang bij de afweging of sprake is van permanente bewoning? Gaat het slechts om de duur van het verblijf of wordt er naar andere elementen gekeken, zoals het feit dat de eigenaar op een ander adres is ingeschreven? In een uitspraak van 15 november 2017 buigt de Afdeling zich over deze vraag.

De situatie

Aan eigenaren van een recreatiewoning is een last onder dwangsom opgelegd, omdat de gemeente van mening is dat de woning permanent wordt bewoond. In de beheersverordening is bij de definitie van het begrip permanente bewoning niet vastgesteld hoeveel dagen/nachten iemand er moet verblijven. Dit maakt het lastig om vast te stellen of er sprake is van permanente bewoning, omdat iedere situatie anders is.  Uit de beheersverordening blijkt slechts, dat er in het geval van permanente bewoning sprake is van bewoning als hoofdverblijf. Dit wordt omschreven als een vaste verblijfplaats volgens het GBA (inmiddels GBR) of moet blijken uit andere bewijsmiddelen.

In dit concrete geval waren eigenaren herstellende van ernstige ziekten en verbleven veel in de recreatiewoning, ook op dagen dat de meeste mensen werken. Op grond van de GBR stonden ze op een ander adres ingeschreven en beschikten ze daar over een zelfstandige woonruimte. Tijdens 15 van de 20 controles maakte de recreatiewoning een bewoonde indruk. Zo stonden de lichten en televisie aan, kwam er rook uit de schoorsteen en waren ze aanwezig op maanden die minder aantrekkelijk waren voor recreatie. Ook was er een vaste telefoonaansluiting op het adres van de recreatiewoning. Maar is dit nu voldoende om te kunnen spreken van permanente bewoning?

Uitspraak

Volgens de Afdeling kan dit tijdelijk vrij intensieve gebruik van een recreatiewoning niet uitsluiten dat het om recreatief verblijf gaat. De aard van het gebruik van de recreatiewoning blijkt hier namelijk niet duidelijk uit. Er wordt naar een andere zaak verwezen waar wel geoordeeld werd dat er sprake was van permanente bewoning, maar de Afdeling geeft aan dat deze gevallen niet vergelijkbaar zijn. In dat geval beschikten betrokkenen namelijk niet over zelfstandige woonruimte op het adres waar ze ingeschreven stonden en maakte de recreatiewoning tijdens alle uitgevoerde controles een bewoonde indruk.

Conclusie

Het is dus heel erg casuïstisch of er gesproken kan worden van permanente bewoning van een recreatiewoning. Het lijkt erop dat de Afdeling waarde hecht aan het feit dat de eigenaar beschikt over zelfstandige woonruimte op het adres waar ze ingeschreven staan. Maar een afvinklijstje voor de gemeente is er helaas niet bij.

Een vaste telefoonaansluiting en hetgeen uit de controles is gebleken, is in ieder geval onvoldoende om permanente bewoning vast te stellen. Wanneer je als gemeente handhavend wil gaan optreden ten aanzien van permanente bewoning van een recreatiewoning, zal dus goed per geval een afweging van de feiten en omstandigheden gemaakt moeten worden. Mijn advies is om in ieder geval een hoeveelheid dagen/nachten (duurcriterium) op te nemen in het bestemmingsplan bij permanente bewoning of recreatief verblijf. Dit maakt het eenvoudiger om handhavend op te treden.

 

 


share



uw reactie

Nusin Higazi


connect