Heeft de ladder haar hoog(s)te punt bereikt?

 

De Raad van State heeft op 21 januari 2015 een opmerkelijke uitspraak gedaan. Kortweg gezegd stelt hij namelijk dat bij bestemmingswijziging van bestaand vastgoed niet getoetst hoeft te worden aan de ladder. De vraag is wat dit betekent voor de doorgaans stringente toepassing van de ladder als motivatie voor ruimtelijke ontwikkelingen.

Aanloop

Vanaf 1 oktober 2012 zijn gemeenten verplicht om in de toelichting van bestemmingsplannen de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ op te nemen conform artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

Volgens het Ministerie van IenM wordt door toepassing van de ladder ‘een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd’.

Bij toepassing van de ladder dienen drie treden te worden doorlopen:

  1. Is er sprake van een (actuele) regionale behoefte;
  2. Is (een deel van de) regionale behoefte op te vangen in bestaand stedelijk gebied;
  3. Zoek een locatie die multimodaal ontsloten is of kan worden voor de resterende regionale behoefte.

Met het doorlopen van de treden vindt een goede ruimtelijke ordening plaats in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden.

Klim

Uit diverse jurisprudentie blijkt dat de ladder gedegen en goed onderbouwd dient te worden toegepast. Dit begint al bij diverse uitspraken over de definitie van ‘stedelijke ontwikkeling’. Daarnaast benadrukt de Raad van State in zijn uitspraak van 15 oktober 2014, 201306557/2/R6 dat de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling onderbouwd dient te worden met concrete en bij voorkeur cijfermatige onderbouwing, afgewogen tegen het bestaande (regionale) aanbod. Daarnaast blijkt uit jurisprudentie van 25 september 2013, zaaknr. 201300782/1/R6, dat gemeenten concreet de actuele regionale behoefte dienen te onderbouwen en dat hierbij niet enkel ingegaan kan worden op algemene gemeentelijke en regionale beleidsdoelen en -kaders.

Top

Uit bovenstaande zaken blijkt ondermeer dat gemeenten zeer stringent en doelmatig de ladder moeten toepassen om ruimtelijke ontwikkelingen te kunnen motiveren. Deze motivatie blijkt in voorkomende gevallen een stuk uitgebreider en gedetailleerder dan blijkens een ‘goede ruimtelijke ordening’ het geval is. In deze stringentheid lijkt nu een scheurtje te ontstaan; De uitspraak van 21 januari 2015, zaaknummer 201310555/1/A1 laat zien dat bij wijzing van gebruik cq. een ruimtelijke ontwikkeling in een bestaand pand, zonder dat er een nieuw beslag op de ruimte plaatsvindt, geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

Eindstreep…?

In de praktijk geeft biedt deze uitspraak onverwacht ruimte; zolang een bestaand pand gebruikt wordt (intern verbouwen toegestaan, uitbreiding niet), kan zonder nadere onderbouwing in relatie tot de ladder wijziging van gebruik cq. bestemming plaats vinden. Voorbeelden kunnen zijn woningen in voormalige kantoren, detailhandel in ongebruikte kerkgebouwen enzovoorts. Trede twee van de ladder vraagt formeel gezien echter een onderbouwing van de ruimtelijke ontwikkeling. Uiteraard blijft een motivering in het kader van ‘ goede ruimtelijke ordening’ van groot belang, maar zo uitgebreid en gedetailleerd zoals de ladder voorschrijft lijkt hiermee niet meer aan de orde. “Nieuwe jurisprudentie, waar blijf je…?!”


share



uw reactie

Noortje Breij


connect