Een verfrissende duik in de jurisprudentie van de invorderingsbeschikking

 

De in deze blog aangehaalde uitspraak is weliswaar gebaseerd op vaste jurisprudentie, maar desalniettemin de moeite waard om ‘teruggehaald’ te worden. Tijd voor een welkome opfrissing dus!

De overtreding

In de betreffende uitspraak staat een invorderingsbeschikking ter discussie. Deze is genomen naar aanleiding van verbeurde dwangsommen met betrekking tot overtredingen op een perceel.

Naar aanleiding van een constatering in april 2009 heeft een gemeente in 2010 een last onder dwangsom opgelegd, welke zich richtte op twee aspecten. Ten eerste is er op het perceel sprake van het bouwen van (o.a.) een paardenstal zonder bouwvergunning. Dat is in strijd is met artikel 40, eerste lid onder a van de Woningwet (oud). Ten tweede is er sprake van gebruik van een paardenbak, dat in strijd is met artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zoals dat luidde ten tijde van de oplegging van de last.

De invorderingsbeschikking

Uit een constatering van november 2013 blijkt dat de overtredingen niet zijn beëindigd, waardoor dwangsommen zijn verbeurd. Alvorens een aanmaning tot betaling van een dwangsom kan worden verzonden, dient het bestuursorgaan een beslissing te hebben genomen over het invorderen van die dwangsom, de zogenoemde invorderingsbeschikking. Dit staat in artikel 5:37 eerste lid van de Awb.

In februari 2014 heeft de gemeente de invorderingsbeschikking genomen.

Op 1 juli 2009 is de Vierde tranche van de Awb in werking getreden. Ingevolge artikel IV van de Vierde tranche van de Awb blijft, indien een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond vóór het tijdstip van inwerkingtreding van die wet, het recht van toepassing zoals dat gold voor dat tijdstip.

Dit geldt ook indien de handhaving is gestart ná die datum. De Afdeling heeft meerdere malen overwogen (bijvoorbeeld in ECLI:NL:RVS:2013:1563) dat op een situatie waarin een eenmalige overtreding vóór 1 juli 2009 is gepleegd en die waarin een voortdurende overtreding vóór 1 juli 2009 is beëindigd, het recht van toepassing is zoals dit gold tot 1 juli 2009, ook al is de handhavingsprocedure na die datum begonnen.

Sterker nog, dat geldt ook voor de manier van invorderen! En daarover struikelt menig gemeente nog…

Uitspraak

Terug naar de uitspraak. De rechtbank heeft overwogen dat niet de bestuursrechter maar de burgerlijke rechter bevoegd is kennis te nemen van het geschil tussen partijen over de invordering van de dwangsommen, omdat de Vierde tranche van de Awb niet van toepassing is.

Het college pretendeert een invorderingsbeschikking als bedoeld in artikel 5:37 eerste lid, van de Awb te hebben genomen en heeft aldus beoogd enig publiekrechtelijk rechtsgevolg in het leven te roepen. Nu echter de Vierde tranche van de Awb niet van toepassing is, heeft de rechtbank uit het oogpunt van rechtszekerheid het bestreden besluit vernietigd, alsmede het primaire besluit (de invorderingsbeschikking) met betrekking tot de verbeurde dwangsommen inzake de paardenstal herroepen.

Eenmalige en voortdurende overtreding

Waarom heeft de rechtbank overwogen dat de Vierde tranche van de Awb niet van toepassing is?

Ten aanzien van de paardenstal heeft de rechtbank overwogen dat er sprake is van een eenmalige overtreding: De paardenstal is zonder vergunning gebouwd eind jaren ’80 van de vorige eeuw, de overtreding is aldus gepleegd voor 1 juli 2009. Dat leidt tot de terechte conclusie dat de Vierde tranche van de Awb niet van toepassing is en de gemeente aldus geen invorderingsbeschikking had mogen sturen, zoals blijkt uit artikel IV van de Vierde tranche van de Awb.

De burgerlijke rechter is bevoegd om kennis te nemen omtrent de invordering van dwangsommen die zijn verbeurd, nu de overtreding van het verbod om te bouwen zonder bouwvergunning dateert van vóór 1 juli 2009.

Had de gemeente dit kunnen voorkomen?

Voor de duidelijkheid: de last ten aanzien van de paardenstal is uitsluitend opgelegd wegens overtreding van artikel 40, eerste lid onder a van de Woningwet (oud). De last is niet opgelegd in verband met het in stand houden van een bouwwerk dat zonder bouwvergunning is gebouwd. Had de gemeente ten aanzien van de paardenstal ook een last opgelegd in verband met het in stand houden van een bouwwerk dat zonder bouwvergunning is gebouwd, dan was er sprake geweest van een voortdurende overtreding die niet na 1 juli 2009 was beëindigd. De vierde Tranche was dan wel van toepassing verklaard op het invorderen van de dwangsom en het bestreden besluit had voor dit onderdeel in stand kunnen blijven.

Verfrismoment

Ben alert op de omschrijving van de overtreding in de last onder dwangsom en de datum van 1 juli 2009. Is de invorderingsbeschikking het juiste middel om de verbeurde dwangsommen te innen, of moet de stap naar de burgerlijke rechter worden gemaakt? Door scherp te blijven kan een onnodige gang naar de bestuursrechter worden voorkomen.


Bron:Procedurenummer: SHE 15 / 1845 WET V162
ECLI: niet gepubliceerd


share



uw reactie

Koen van Polanen


connect