Actualiteiten Omgevingsrecht – Week 23 | 2022

Jurisprudentie Omgevingsrecht

 

Gebruiksverbod en overgangsrecht (ECLI:NL:RVS:2022:1582 & ECLI:NL:RVS:2022:1617)

Het college van de gemeente Beverwijk heeft een last onder dwangsom opgelegd aan de eigenaar van een perceel. Deze last houdt in dat de eigenaar een bijgebouw dient te verwijderen en een tweede bijgebouw in overeenstemming moet brengen met een verleende vergunning. In 1985 is er een omgevingsvergunning voor de bouw van een garage of berging verleend aan de toenmalige eigenaar van het perceel. De nieuwe eigenaar heeft echter twee bijgebouwen gerealiseerd, welke gebruikt worden als zelfstandige woonruimten door huurders.

Volgens het college is dit in strijd met het vigerende bestemmingsplan, “Wijk aan Zee 2019”. In dit bestemmingsplan is een overgangsrechtbepaling opgenomen, waarin staat dat het gebruik van de grond en bouwwerken mogen blijven bestaan, wanneer dit was toegestaan op basis van het voorheen geldende bestemmingsplan en sindsdien als zodanig in gebruik is gebleven. Het voorheen geldende bestemmingsplan uit 1979 bevatte een verbod om de gronden in strijd met de gegeven bestemming te gebruiken (gebruiksverbod). De vraag is of het gebruik van de zelfstandig bewoonbare bijgebouwen zijn toegestaan onder het overgangsrecht.

De eigenaar stelt dat het gebruiksverbod in het oude bestemmingsplan ziet op het ‘gebruiken’ en niet het ‘laten gebruiken’. Dit betekent dat het verbod geldt voor de daadwerkelijke gebruiker en dat hij als eigenaar niet als overtreder kan worden aangemerkt. Hierbij wordt verwezen naar een eerdere uitspraak van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2019:2745). Om deze reden kan geen last onder dwangsom aan de eigenaar worden opgelegd. De Afdeling gaat hierin mee en overweegt dat “het in gebruik geven van gronden ten behoeve van een met de bestemming strijdig doel is als zodanig niet verboden is”. Wanneer het gebruiksverbod spreekt van ‘laten gebruiken’, dan kunnen wél zakelijke gerechtigden worden aangesproken. Hierbij verwijst de Afdeling naar een uitspraak uit 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AR5450). Dit betekent dat de regels uit het voorheen geldende bestemmingsplan niet van toepassing zijn op het in gebruik geven van de bijgebouwen voor bewoning. Daarnaast valt dit onder de bescherming van het gebruiksovergangsrecht. Hierdoor kan niet gesproken worden van strijdig gebruik en was het college niet bevoegd tot het opleggen van een last.

 

Gebruiksovergangsrecht (ECLI:NL:RVS:2022:1618)

Het college van de gemeente Heerlen weigert een omgevingsvergunning voor het afwijken van het vigerende bestemmingsplan. Initiatiefnemer heeft een aanvraag gedaan voor het vestigen van detailhandel op een perceel. Volgens het college komt de initiatiefnemer, onder andere, geen beroep op het overgangsrecht toe.
De initiatiefnemer is van mening dat wél een geslaagd beroep op het in de planregels opgenomen gebruiksovergangsrecht kan worden gedaan. Volgens een eerdere uitspraak van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2011:BQ2631) dient voor een geslaagd beroep voldoende aannemelijk te zijn gemaakt dat “dat het strijdige gebruik, na het tijdstip waarop het bestemmingsplan rechtskracht heeft verkregen (de peildatum), bestond en ononderbroken is voortgezet”. Verder verwijst initiatiefnemer naar een andere uitspraak van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2005:AU0092), waarin is overwogen dat “een onderbreking van het strijdige gebruik op zichzelf niet betekent dat dit gebruik, na de hervatting daarvan, niet kan worden aangemerkt als voortgezet gebruik”. Dit dient beoordeeld te worden aan de duur en de oorzaak van een dergelijke onderbreking. Ook de intentie om het bestaande gebruik weer voort te zetten speelt hierbij een rol.

In dit geval is volgens initiatiefnemer kort sprake geweest van een onderbreking van voorgezet gebruik. Het pand heeft niet lang leeggestaan, want in de afgelopen jaren hebben twee verschillende bedrijven zich hier gevestigd. Daarnaast stelt initiatiefnemer dat de eigenaar van het perceel niet bekend was met de gevolgen van leegstand voor het gebruik van het overgangsrecht. Tevens doet de eigenaar zijn uiterste best om het pand weer voor detailhandel te verhuren.
De Afdeling volgt hier haar eerdere uitspraken en oordeelt dat het gebruiksovergangsrecht inderdaad afhankelijk is van voorgezet gebruik en dat een onderbreking van strijdig gebruik op zichzelf niet betekent dat hiervan geen sprake is. Echter, in dit geval oordeelt de Afdeling dat de initiatiefnemer geen geslaagd beroep kon doen op het overgangsrecht, gelet op de duur van drie jaar leegstand.

 

Uitzondering beginselplicht tot handhaving (ECLI:NL:RVS:2022:1613)

Het college van de gemeente Den Haag treedt handhavend op door het opleggen van een last onder dwangsom aan overtreder. De overtreder is eigenaar van een appartement, welke verschillende gebreken vertoont en dit is in strijd met het de regels uit het Bouwbesluit 2012.

In beginsel geldt dat het bevoegde bestuursorgaan verplicht is te handhaven bij een overtreding. Hier mag enkel van worden afgezien indien er sprake is van een bijzondere omstandigheid, zoals concreet zicht op legalisatie van de situatie, of wanneer de dwangsom onevenredig hoog is. Volgens de overtreder is in dit geval sprake van zo’n bijzondere omstandigheid, waardoor het college niet handhavend mocht optreden. Zo stelt de overtreder dat er geen gevaar bestond voor de veiligheid en gezondheid, omdat het appartement niet bewoond en niet toegankelijk was. Daarnaast stelt hij niet te kunnen voldoen aan de opgelegde last in verband met zijn financiële situatie.

De Afdeling is, net als de rechtbank, van oordeel dat zich géén bijzondere omstandigheid voordoet, op basis waarvan afgezien moet worden van de beginselplicht tot handhaving. De Afdeling overweegt dat het appartement een woonfunctie heeft en om die reden dient te voldoen aan het Bouwbesluit 2012. Dit brengt met zich mee dat het feit dat het pand niet bewoond werd en ook niet toegankelijk was, geen bijzondere omstandigheid oplevert. Verder is de Afdeling van mening dat handhavend optreden niet onevenredig is met de te dienen doelen. Dit wordt niet anders beoordeeld vanwege de financiële situatie van de overtreder. Bovendien hoeft bij handhaving in principe geen rekening te worden gehouden met financiële draagkracht van de overtreder. Dit komt pas aan de orde bij een eventuele executiefase. Hiervoor geldt één uitzondering, namelijk wanneer de overtreder aannemelijk maakt “dat evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen te betalen”. De overtreder heeft ter onderbouwing hiervan géén betrouwbaar en volledig inzicht in zijn financiële situatie gegeven en in de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben.

 

Op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen en actualiteiten in het omgevingsrecht? Ruimtemeesters houdt wekelijks de laatste jurisprudentie bij. Volg ons op LinkedIn of schrijf je in voor onze maandelijkse nieuwsbrief om niets te missen!
Hulp of advies nodig? Onze experts zijn er om te helpen! Neem contact met ons op. 

Klaar voor een nieuwe uitdaging? Bekijk de openstaande juridische vacatures:

Ondernemende Jurist
Senior Jurist Omgevingsrecht
Medior Jurist Omgevingsrecht
Medior Jurist Handhaving
Medior Casemanager Wabo
Junior Jurist
Juridisch Adviseur Omgevingsrecht

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Gepubliceerd op jun 14, 2022 en geschreven door:
Koen van Polanen

Koen van Polanen

Directeur / Juridisch Adviseur

Blijf op de hoogte en schrijf je in voor de nieuwsbrief

Nieuwsbriefinschrijving