Actualiteiten Omgevingsrecht – Week 29 | 2022

Jurisprudentie Omgevingsrecht

 

Evenredigheidstoets in relatie tot parkeerbeleid (ECLI:NL:RVS:2022:2063)

Bij besluit van 24 april 2020 weigerde het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht aan appellant een omgevingsvergunning te verlenen voor het vergroten van een bedrijfsruimte en het vestigen van een zalencentrum. Volgens het college voldeed de aanvraag niet aan de eis van voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein die volgde uit het lokale ontwikkelingskader voor horeca. De rechtbank stelde het college in het gelijk. Appellant ging daarom in hoger beroep.

Betoog evenredigheid

Appellant stelt dat zijn belangen onvoldoende zijn meegewogen en dat toepassing van het parkeerbeleid in zijn situatie in strijd is met de toets aan het evenredigheidsbeginsel van artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht. Hij voert aan dat er genoeg parkeerplaatsen beschikbaar zijn in de straat van het beoogde zalencentrum en dat het daarom niet nodig is om verspreid over het bedrijventerrein te parkeren. Appellant verwijst daarbij naar de parkeerbalans, waaruit blijkt dat er 119 parkeerplaatsen beschikbaar zijn aan de straat waar het gewenste zalencentrum zou komen. Op grond van de Nota Stallen en Parkeren zou het zalencentrum slechts 48 parkeerplaatsen vereisen. Tot slot overlegde appellant een lijst met handtekeningen van bedrijven uit de omgeving waaruit blijkt dat zij positief staan tegenover de komst van het zalencentrum. Toepassing van de eis van voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein zou hierdoor in deze situatie onevenredig zijn.

Beoordeling evenredigheid

De Afdeling overweegt dat het college onvoldoende motiveerde waarom de omgevingsvergunning is geweigerd. Daarvoor is van belang dat uit de overlegde parkeerbalans blijkt dat er voldoende parkeergelegenheid beschikbaar is in de straat waar het beoogde zalencentrum komt. Hierdoor hoeft niet verspreid over het bedrijventerrein geparkeerd te worden. Er is dus geen (geluids)overlast voor de omliggende bedrijven. Bij deze beoordeling betrok de Afdeling ook dat appellant met de lijst met handtekeningen aannemelijk maakte dat de omliggende bedrijven positief tegenover de komst van het zalencentrum staan. Het college motiveerde onvoldoende waarom toepassing van de eis van voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein evenredig is in deze situatie.

Betoog vertrouwensbeginsel

Appellant betoogt dat hij erop mocht vertrouwen dat niet voldaan hoefde te worden aan het vereiste van parkeren op eigen terrein. Hij stelde een parkeerbalans op en voerde naar aanleiding hiervan een gesprek met de verkeerskundige van de gemeente. In dit gesprek zou zijn toegezegd dat parkeren niet op eigen terrein vereist was. Deze toezegging zou blijken uit e-mailwisseling met de verkeerskundige.

Beoordeling vertrouwensbeginsel

De Afdeling overweegt dat het college het vertrouwensbeginsel niet schond. De verkeerskundige lichte in een e-mail de toepasselijke parkeernorm toe. In de reactie van appellant stelt appellant zelf dat een dag eerder was besproken dat parkeren op eigen terrein niet langer vereist is en dat gebruik kon worden gemaakt van de openbare parkeerplaatsen. Daarnaast stelde appellant een vraag over de gestelde parkeernorm. De verkeersdeskundige reageerde vervolgens alleen op de vraag over de parkeernorm. Hij ging niet in op de stelling dat niet hoeft te worden voldaan aan de hoofdregel dat parkeren op eigen terrein plaats moet vinden. Later gaf de behandelend vergunningverlener nog tweemaal aan dat het ontwikkelingskader nadrukkelijk vereist dat moet worden geparkeerd op eigen terrein. De e-mail van de verkeersdeskundige is geen toezegging van het college dat het de voorwaarden uit het ontwikkelingskader niet meer zou toepassen. Evenmin bleek dat de verkeersdeskundige in het gesprek zou hebben toegezegd dat geen parkeerplaatsen op eigen terrein nodig zouden zijn. Er is dus geen vertrouwen gewekt waarop appellant redelijkerwijs mocht afgaan.

Beslissing Afdeling

De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, omdat het college onvoldoende motiveerde dat toepassing van de beleidsregels in dit geval evenredig is. Het college moet een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen van de Afdeling.

 

Op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen en actualiteiten in het omgevingsrecht? Ruimtemeesters houdt wekelijks de laatste jurisprudentie bij. Volg ons op LinkedIn of schrijf je in voor onze maandelijkse nieuwsbrief om niets te missen!
Hulp of advies nodig? Onze experts zijn er om te helpen! Neem contact met ons op. 

Klaar voor een nieuwe uitdaging? Bekijk de openstaande juridische vacatures:

Ondernemende Jurist
Senior Jurist Omgevingsrecht
Medior Jurist Omgevingsrecht
Medior Jurist Handhaving
Medior Casemanager Wabo
Junior Jurist
Juridisch Adviseur Omgevingsrecht

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Gepubliceerd op jul 22, 2022 en geschreven door:
Koen van Polanen

Koen van Polanen

Directeur / Juridisch Adviseur

Blijf op de hoogte en schrijf je in voor de nieuwsbrief

Nieuwsbriefinschrijving