Omgevingsvergunning voor een plattelandswoning

 

Procedurenummer: BRE 15 / 4867 WABOA

ECLI: niet gepubliceerd.

Op 16 november heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan op het beroepschrift door de exploitanten van een glastuinbouwbedrijf tegen de op 1 juni 2015 verleende uitgebreide omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik van een bedrijfswoning ten behoeve van bewoning door derden. De “plattelandswoning” betreft een tweede bedrijfswoning die qua eigendom vervreemd is van het glastuinbouwbedrijf maar qua bestemming is gekoppeld aan één van beide bouwvlakken van het bedrijf. De exploitanten zijn woonachtig in de andere bedrijfswoning.

Feit is dat de bedrijfswoning jarenlang leeg heeft gestaan waardoor inmiddels zwaar verval is ingetreden. Het is de bedoeling dat de bewoners, nu er sprake is van een plattelandswoning, deze op zullen knappen. De mogelijkheid tot omzetting naar plattelandswoning biedt hier de uitweg toe. Het college heeft bij de vergunningverlening overwogen dat leegstand ruimtelijk gezien ongewenst is.

De exploitanten voeren als beroepsgronden ten eerste aan dat de omgevingsvergunning in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college kent een doorslaggevende betekenis toe aan het feit dat de woning jarenlang leeg staat. Dit ligt aan de eigenaar en zijn wensen. Het staat los van de vraag of de geldende bestemming al dan niet meer uitvoerbaar zou zijn.

Ten tweede heeft het college het positieve advies van de Agrarische Adviescommissie zonder afdoende motivering naast zich neergelegd. Uit dit advies, dat het college aangevraagd heeft naar aanleiding van de ingebrachte zienswijze, blijkt dat een tweede bedrijfswoning noodzakelijk is.

Ten derde is onvoldoende betekenis toegekend aan het aspect woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Tenslotte heeft geen deugdelijke belangenafweging plaatsgevonden. Aan het belang van het omzetten naar de plattelandswoning wordt meer waarde gehecht dan aan de bedrijfsbelangen van exploitanten.

Planologische situatie

De rechtbank overweegt ten aanzien van de genoemde gronden dat met het toepassen van de figuur van de plattelandswoning de planologische situatie niet wezenlijk verandert. De gebruiksmogelijkheden nemen slechts toe, naast het feit dat in planologische zin nog steeds van een bedrijfswoning sprake is. De woning kan dus nog steeds voor dat doel worden gebruikt. Feitelijk kan dat volgens de rechtbank lastiger zijn in de ontstane situatie van bewoning door de aanvraagster van de omgevingsvergunning en het feit dat de woning in eigendom is bij een derde. Door de toegenomen gebruiksmogelijkheden kan er volgens de rechtbank sprake zijn van een prijsopdrijvend effect. Dit is echter geen planologisch gevolg maar een feitelijk gevolg.

Gelet op het voorgaande, kan ook geen betekenis worden gehecht aan het –naar aanleiding van een aanvullende zienswijze- door het college aangevraagde advies van de Agrarische Adviescommissie: er zijn immers al twee bedrijfswoningen. Achteraf gezien was het inwinnen van dit advies niet nodig.

De borging van een goed woon- en leefklimaat is (mede door aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit) volgens de rechtbank voldoende vast komen te staan.

Belangenafweging

Voor wat betreft de beoordeling van de gevolgde belangenafweging zijn de overwegingen van de rechtbank het meest interessant. De stelling van het college is dat de verleende omgevingsvergunning geen belemmering vormt voor de exploitanten om de betreffende bedrijfswoning te bewonen. De belemmering om daartoe daadwerkelijk te komen is volgens het college meer van financiële aard. Het college meent dat de privaatrechtelijke belemmeringen niet van doorslaggevende betekenis zijn. De rechtbank volgt deze stellingen. Exploitanten zullen de bedrijfswoning in de huidige situatie tegen een mogelijk hogere prijs dienen te verwerven maar het college heeft aan dit financiële belang geen doorslaggevende betekenis hoeven te hechten. Ook de eigenaar en de aanvraagster van de omgevingsvergunning hebben financiële belangen. Het college heeft daarnaast volgens de rechtbank wel degelijk betekenis mogen hechten aan het feit dat de bedrijfswoning door jarenlange leegstand als gevolg van een financiële belemmering verpauperd is en dat deze wordt voorkomen door de omzetting naar de plattelandswoning.

Het beroep wordt door de rechtbank ongegrond verklaard. Tegen de uitspraak staat hoger beroep open.


share



uw reactie

Wim Vermeulen

Wim Vermeulen


connect